't Gelag

Fred Delfgaauw vertolkt in ’t Gelag de rol van Drabbe: zoon van een kastelein. Tot groot ongenoegen van zijn vader heeft Drabbe het voormalig café verbouwd tot feestartikelenwinkel. Drabbe slijt zijn dagen tussen de koopwaar: maskers, feestneuzen en andere snuisterijen. Als de winkel 40 jaar later op het randje van faillissement staat, denkt hij terug aan zijn vader. Aan zijn adviezen, het slepende conflict en de waarheden van de mannen aan de bar. En zo keren de vele stemmen uit voormalig café ’t Gelag terug.

Het is geen licht kost die het publiek wordt voorgeschoteld. Gedurende het verhaal blijkt dat de vader, net als elke man aan de bar, in de oorlog een zwijger is geweest, ook al heeft hij dan Roza in de kelder verborgen gehouden. De zoon, een kind nog, heeft onder druk Roza verraden, ze is nooit meer teruggekomen.

Die gebeurtenis achtervolgt hem tot in het heden. In zijn failliete zaak, waar geen klant meer komt, speelt hij denkbeeldige gesprekken met zijn feestartikelen. Hoe lang nog?

Menig theatermaker zou met deze verbazingwekkend actuele vraagstukken over goede en foute keuzes in de oorlog, ontspoord zijn in melodrama. Delfgaauw blijft op de rails door regelmatig de lach te laten klinken in ’t Gelag’. De poëtische teksten vol rituele ‘refreinen’ – de geest van Jozef van den Berg spookte door mijn hoofd – worden afgewisseld met spitse dialogen, waarin kat en muis wordt gespeeld met menig cliché.

Maar ook de melancholieke, krachtige beeldtaal is doordrongen van ironie. De karikaturale maskers worden letterlijk in een handomdraai geloofwaardige personages, die wij onmiddellijk herkennen als onze buren. En wat te denken van die twee fopdrollen in de etalage die notabene mededogen weten op te roepen.

Binnen de strakke maar ingetogen regie van Jon van Eerd goochelt Delfgaauw met stemmen en tovert hij, via een zeer muzikale timing, tal van metamorfoses uit minimale middelen. Hier is een gedreven vakman aan het werk die zijn hang naar moralisme strak in de teugels houd. Zijn enige mede-acteur is een sfeervolle geluidsband die de weemoed van zijn spel onderstreept.

Ronduit meesterlijk zijn de dubbele bodems waarin de schizofrenie van de poppenspeler tot uiting komt. Zoals tijdens de slotscène die verwijst naar het openingsbeeld. In de tot vuilnisbelt verworden feestartikelenwinkel hervindt de ontgoochelde zoon zijn vader. ‘Je moet me loslaten, jongen.’ ‘Dat kan ik niet vader.’ En terwijl ze samen de eeuwigheid tegemoet vallen, klinkt de echo nog na van die adembenemende verwijzing naar Shakespeare: ‘Een mens is eenzaam, jongen, de rest is poppenspel.’

In 1999 werd ’t Gelag finalist bij de NRC Toneelpublieksprijs.