Vorst aan de grond

Geïnspireerd op King Lear (Shakespeare) en op het werk van Samuel Beckett.

Een kind meet en spiegelt zich aan zijn omgeving om als individu herkend te worden. Het vraagt zich bij alles af: is dat wel zo? Maar wat gebeurt er als niet een mens maar een pop een waarheid of leugen verkondigt? Er is geen ego meer en dus zal het kind de pop direct en onvoorwaardelijk geloven.

Koning Lear (Vorst aan de grond) over zijn nar:

Mijn nar
Hij was al in dienst voordat ik werd geboren
Hij zong aan mijn wieg.
Een beetje schor....
Maar dat kon ik toen nog niet weten
Hij vertelde mij de verhalen
van de nacht
de regenwormen
het goud.
Hij droeg mij op zijn rug
en wees me waar ik naar toe moest
Hij leerde me veel talen
bijna zoveel als hij tanden had.
Toen ik alles van het leven had begrepen
dacht ik
begon hij over politiek.
Daar was hij niet zo zeker van, zei hij.
Hij vertelde me wat macht was
volgens hem
en onmacht
en het verschil tussen beide.
Zelf heb ik daar nog steeds moeite mee.
Op een dag was hij vertrokken.
Niet zoals in de sprookjes
met de noorderzon.
Maar van puur verdriet.
Hij heeft het me niet gezegd.
Hij heeft het gezongen.
Met diezelfde schorre stem.
Pas veel later
begreep ik waarom.

Honden lijken op hun bazen, poppen lijken op hun makers. En de produkten van één maker lijken op elkaar. Delfgaauw neemt zich voor om nooit te vervallen in de herhaling van het succes. De produktie van de materialen en de poppen die hij in zijn voorstellingen gebruikt, laat hij aan anderen over. Hij werkt aan ‘Verknipt’ (1993) en constateert dat hij van jeugdtheaterfestivals wordt geweerd omdat hij het jeugdtheater slechts als springplant zou hebben gebruikt. Toneeljury’s beoordelen zijn werk als poppenspel en bij poppenspelers is hij uit de gratie omdat hij volgens hen ‘gooit en smijt’ met zijn materialen en ‘waarneembaar’ zijn mond beweegt.

Als uit België van Theatergroep Malpertuis de uitnodiging komt voor een regie van de bewerking die hij van Shakespeare’s King Lear heeft gemaakt, neemt Delfgaauw deze in dank aan. Anderhalve week voor de première komt hoofdrolspeler Dries Wieme door een auto-ongeval om het leven. Delfgaauw besluit een pas op de plaats te maken. Anderhalf jaar is hij niet meer in het theater te zien.

Het weer zien met het publiek komt in 1994. ‘Ik moet het optimisme van diep halen. Ik merk dat het dubbele verlies mij bitter heeft gemaakt, behalve als ik in het theater sta. Ik vond dat ik alsnog iets met King Lear moest doen. Waar de koning zijn nar vergeet, begin ik. Ik was verliefd op die tekst. Kon hem opzeggen, van de eerste tot de laatste strofe’. Daaruit is ‘Vorst aan de grond’ ontstaan.

Het gesproken woord is de knecht van het hart. Ten tijde van Vorst aan de grond is Fred Delfgaauw al meer dan twaalf jaar onderweg met zijn voelbare, éénpersoons theatervorm. ‘Ik heb een afschuw van postmodern theater. Ik hou er niet van iets anders te laten zien met de bedoeling het publiek te vertellen dat het daar eigenlijk niet om gaat. Liever vertel ik ze waar het mij wel om gaat.’ ‘Het grootste compliment vind ik dat mensen na afloop van mijn voorstelling hun nummertjes bij de garderobe even kwijt zijn. Je publiek werkelijk raken mag dan een hele kunst zijn, geraakt kunnen worden is evengoed een gave.’