Fred Delfgaauw
‘Dat ze denken: dat wil ik zien!’


tekst door Noor Hellmann


“Van mijn dromen blijft me bij dat het al- tijd warm is. Ik hou erg van warmte, maar deze warmte is onaangenaam, alsof het van toneel- lampen komt: die warmte is het minst prettige aspect van mijn werk. Over mijn voorstellingen droom ik verder niet.

Ik herinner me ook meestal niet wat ik heb gedroomd, behalve die keer dat mijn vriendin Suus en ik ’s nachts wakker werden uit dezelf- de droom. Ik droomde dat we op een vlot zaten waar Suus van afviel. Ik probeerde haar met al mijn kracht omhoog te trekken, maar het was of ze naar beneden gezogen werd. Ik werd wak- ker en had haar arm vast. Suus was ook wakker geworden. We waren allebei helemaal bezweet, het was een warme nacht. Ik vertelde mijn droom en toen zei zij: ‘Dat heb ik ook ge- droomd!’ Ze beschreef de paniek, hoe gevaar- lijk het was, alles kwam precies overeen met mijn droom. Het was eng om hetzelfde mee te maken; zo’n ervaring hebben we nooit meer gehad.

Door Suus ben ik naar Gorinchem gekomen, zij woonde hier. Gorinchem bleek door de cen- trale ligging een ideale tussenpost als je veel toert. Toen er een pand vrijkwam dat ik kon verbouwen tot theater ben ik blijven hangen. Een eigen theater was een droom, die ik kon realiseren met het geld dat ik verdiend had met het inspreken van commercials en Disneyfilms

en dankzij steun van bedrijven in de regio. Ik wilde in de eerste plaats een goede repetitie- ruimte voor mezelf, maar het is professioneel zo uit de hand gelopen dat theater Peeriscoop nu bij veel artiesten een buitengewoon gewaar- deerde speelplek is.

Toen ik op mijn veertiende gevraagd werd voor de rol van Peer Gynt ben ik verknocht ge- raakt aan het theater. Ik heb het vak in de prak- tijk geleerd, bij het jeugdtoneel. Toevallig ont- dekte ik dat poppentheater mij ligt omdat ik veel kan met mijn stem en goed kan manipule- ren. Voor kinderen speel ik allang niet meer, maar mensen associëren het woord poppen nog steeds met Jan Klaassen en poppenkast. Ik droom er al 33 jaar van dat ze zich op een dag bij poppentheater iets fantastisch voorstellen en denken: dat wil ik zien! Maar het lijkt wel of ik het best bewaarde geheim van Nederland ben, het publiek kent mij niet.

Toch geef ik niet op, ik ben ervan overtuigd dat je in een droom moet geloven om iets

voor elkaar te krijgen, anders was dit theater er ook niet geweest. Ik heb hier nu een productiehuis van de grond gekregen en ik begeleid drie jonge mensen. Ik zie het als mijn toekomst dat ik me meer ga toeleggen op het produceren van voor- stellingen van anderen, in plaats van zelf dag en nacht op toneel te staan. Al blijft het bloed kruipen waar het niet gaan kan.”